Witold Makowski - The Soldiers of General Maczek

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Witold Makowski

LOTGEVALLEN VAN EEN POOLSE LANSIER (1939 – 1947)

“Enchanté: mijn naam is Witold Artur Wladyslaw Saryusz Makowski, voor vrienden Tolo.     Bij mijn geboorte in 1912, wonen mijn ouders, Stefania Wysiekierska en Arnold Saryusz Makowski, tijdelijk in Sint Petersburg. Ze zijn Polen, inwoners van een land dat in die tijd voor een deel slechts mag bestaan als een provincie van het machtige Russische rijk. Mijn onbezorgde jeugd en die van mijn 1 jaar oudere zus Wanda, speelt zich voor een groot deel af op ons 500 hectare tellende, landgoed in Ostrog, in de nu Oekraïense provincie Wolhynia. Mijn vader is als professor en hoogleraar verbonden aan het door hem opgerichte Geologisch Instituut van de Vrije Universiteit te Warschau.
Behalve wetenschapper is mijn vader een voorvechter van een vrij Polen. Dat doet hij zij aan zij met zijn goede vriend Josef Pildudski, de latere maarschalk, legerleider en president van de tweede Poolse Republiek en medeoprichter van de Poolse Socialistische Partij. De militaire achtergrond van zijn vriend inspireert mijn vader om mij te verbieden  mijn grote wens beroepsmilitair te worden te verwezenlijken. Dus word ik na mijn studie economie ‘slechts’ reserveofficier bij de Cavalerie, bij het 22ste Ulanen* Regiment te Brody. Na mijn dienstijd van 1933 tot 1938, kom ik in diplomatieke dienst en via Leipzig als viceconsul in Nederland terecht.”
(*Een Ulaan is een lichtbewapende bereden soldaat in enkele Europese legers. Meestal duidt de term op Duitse Lansiers, maar oorspronkelijk waren ulanen Aziatische ruiters die in de 16de eeuw dienst deden in het Poolse leger. Het woord is van Turkse oorsprong en verwant met het Turkse oğlan, dat jonge man betekent. Bron: Wikipedia)

Ontheemd  
Geluk en tegenslag liggen naast elkaar, verscholen in de toekomst.
Als de net een jaar geleden afgezwaaide reserveluitenant van de Poolse Cavalerie in zijn tweede diplomatieke post van Leipzig naar Amsterdam wordt overgeplaatst – we schrijven augustus 1939 – is dat niet direct als een moment van geluk te kenmerken. Nog minder als enkele weken later de deur naar huis achter hem wordt dichtgegooid, als zijn Vaderland door Nazi Duitsland en later door Russen wordt aangevallen en bezet. Na omzwervingen sluit de ontheemde Poolse Lansier zich aan bij het Nederlandse verzet en ontsnapt enkele malen op miraculeuze wijze aan de dood en de bezetters.

Crusiale ontmoeting
“Als de Duitsers mijn land bezetten, werk ik in opdracht van de Poolse militaire inlichtingendienst als verbindingsofficier tussen de naar Frankrijk uitgeweken Poolse legereenheden en de Britse en Amerikaanse Ambassades. Ik rapporteer hen ondermeer over de vorderingen van ‘The Light Motorised Division’ die kolonel Maczek aan het formeren is. Eind augustus 1939 vindt op mijn eerste treinreis van Parijs naar Amsterdam, waar ik me zou melden als viceconsul bij het Pools Consulaat, een cruciale ontmoeting plaats. Als ik in de coupé in gesprek raak met een vriendelijke Haagse dame, zijn wij beiden nog ongewis van het feit dat ik haar enkele maanden later als tante Margareth zal aanspreken. Ze is de zuster van Hubert van der Straaten, mijn aanstaande schoonvader.  Ik zal hem ontmoeten omdat mevrouw van der Straaten mij adviseert hem, vanwege zijn goede contacten – en wellicht zelfs voor onderdak – in Den Haag op te zoeken. Het klikt tussen deze voormalige luitenant ter zee 1e klasse (op dat moment agent van de British Iron & Steel Corporation) en mij en ook tussen mij en zijn dochter Mary Ann. We trouwen in 1942, na twee bewogen jaren in de Nederlandse verzetsgroep “Vrij Nederland” en enkele vergeefse pogingen om via een oversteek naar Engeland Schotland te bereiken om mij daar bij het te formeren Poolse bevrijdingsleger te voegen.”

Polen blijkt een speelbal van de oorlogvoerende allianties. Als de eerste agressor het land bezet en de tweede zich met het verbreken van het Molotov-Ribbentroppact de metamorfose van agressor tot bondgenoot ondergaat moet het lamgeslagen land toezien hoe zijn bevolking wordt geknecht en gekneveld en hoe zijn ten strijde getrokken zonen en dochters de weg terug naar hun vaderland wordt afgesneden. Ook als het land 6 jaar later wordt ‘bevrijd’ door bondgenoot Rusland is er van een Vrij Polen in het geheel geen sprake.
De geallieerde leidsmannen hebben Polen tijdens hun conferentie in Yalta, in februari 1945 “verkwanseld”. Het Nazi juk wordt omgeruild voor de dwangbuis van het communisme.       De 600.000 Poolse (ex)militairen, die hun leven in de waagschaal hebben gelegd voor een vrij Europa, zijn personae non gratae geworden in hun geboorteland.

Mosterd na de maaltijd
Pas als in augustus 1989 de onafhankelijke vakbond Solidarność de politieke motor wordt van de eerste niet-communistische Poolse regering en in november van dat jaar de gaten in Berlijnse muur worden geslagen, valt ook het “IJzeren Gordijn” tussen Oost en West Europa. Het voelt als mosterd na de maaltijd voor veel van de helden die zich tijdens de bezetting in Engeland tot een bevrijdingsleger hadden verenigd. Zij zagen hun ambitie – de bevrijding van Polen – in politieke onmacht verzanden.
De in 1950 tot Nederlander genaturaliseerde Poolse Lansier Tolo Makowski, die na de oorlog gedurende zijn redelijk succesvolle maatschappelijke carrière in goede Haagse kringen verkeert, bezoekt, op zakenreis in de jaren vijftig, het voor hem totaal onherkenbare geboorteland en gaat er nog, voor de val van het IJzeren Gordijn, met zijn Nederlandse echtgenote enkele malen op vakantie. Als hij in 1995 overlijdt, verkeert hij - mede dankzij een Nederlands verzetspensioen - in redelijke welstand.

De generaals Sosabowski en Maczek.
Heel anders vergaat het een veel grotere groep Polen, zoals de legergroepen onder de generaals Stanislaw Sosabowski en Stanislaw Maczek. De eerste voerde het bevel over de 1ste Poolse onafhankelijke Parachutistenbrigade. De tweede was commandant van de 1ste Poolse Pantserdivisie. Sosabowski ging na de oorlog in (vrijwillige) ballingschap en werkte in het Verenigd Koninkrijk – met maatschappelijke tegenslag en onthouding van enig pensioen - tot zijn 75ste levensjaar als winkelier en fabrieksarbeider. Hij overlijdt het jaar daarop, in 1967, zonder zijn land ooit terug te zien. Maczek geniet evenmin een oudedagsvoorziening en werkt noodgedwongen tot de jaren zestig als barman in het hotel van een van zijn vroegere ondergeschikten in het Schotse Edinburgh. Hij bereikt de respectabele leeftijd van 102 en heeft dus de val van het communisme in Polen nog wel mee mogen maken. Hij woont tot zijn dood in 1994 Schotland. Op zijn eigen wens wordt zijn stoffelijk overschot naar Nederland overgevlogen en in Breda, de stad die hem ereburger maakte, begraven, bij zijn reeds voorgegane manschappen.

Verzetstijder
“ Ten tijde van het Duitse offensief op 10 mei 1940, bevind ik mij in Nederland. Na de overgave begint voor mij een tijd van spanning en kommernis. Wat doen de Duitsers met Poolse staatsburgers in bezette landen? Ik weet het niet en meld mij bij de Amerikaanse ambassade. Daar neemt majoor Colbert, die ik nog vanuit Polen ken, mij onder zijn hoede tot hij als luitenant-kolonel wordt overgeplaatst naar de ambassade van de Verenigde Staten in Berlijn. Ik verhuis naar Amsterdam, nadat de Nederlandse politie mij heeft bevolen Den Haag te verlaten en op minimaal 15 kilometer van de kust te gaan wonen. Daar leer ik de Nederlandse advocaat Boelen kennen, wiens Poolse echtgenote voorzitter is van het Comité Polen-Nederland dat hulp biedt aan Poolse staatsburgers. Dankzij een bescheiden bijdrage van dit comité kan ik in mijn levensonderhoud voorzien. Via mevrouw Boelen sluit ik mij aan bij “Vrij Nederland”, de ondergrondse organisatie die zich ondermeer bezighoudt met het verzamelen en naar Londen doorspelen van informatie over de op handen zijnde Duitse invasie van Engeland. Als begin 1941 het ene na het andere lid van de organisatie wordt gearresteerd, is het tijd om te vluchten en duik ik onder in het Brabantse dorp Deurne.Van daaruit volg ik het verloop der gebeurtenissen in Amsterdam en Den Haag, waar mijn medeverzetsstrijders Luitenant Pim van Doorn en sergeantcadet piloot H. du Pon bezig zijn onze vlucht over zee naar Engeland voor te bereiden.”

Engelandvaarders
Hoeveel Nederlanders hebben geprobeerd uit bezet gebied te ontsnappen is moeilijk in te schatten. Van ruim 1700 is bekend dat zij Engeland, of een ander geallieerd land hebben bereikt, om van daaruit de bezetter te bestrijden. Velen komen om op zee, anderen worden nog voor ze de zee konden bereiken of niet ver uit de kust gearresteerd. De meesten van hen verdwijnen in concentratiekampen, sommigen worden standrechtelijk gefusilleerd. Slechts enkelen komen na de bevrijding weer thuis. Er zijn drie ontsnappingsroutes: met een bootje de Noordzee oversteken, als verstekeling met een kustvaarder mee naar (het neutrale) Zweden of over land naar Spanje en Portugal en dan per boot of vliegtuig door naar Engeland. Welke weg men neemt wordt meestal door het toeval bepaald: wie zich genoodzaakt ziet of voelt te gaan, grijpt elke geboden vluchtmogelijkheid aan. De weg over de Noordzee is het kortst en lijkt daarom aantrekkelijk. Maar deze moeilijke en gevaarlijke manier wordt bijna onmogelijk als in 1942 wordt begonnen met de aanleg van de Atlantikwall en de kust verboden gebied wordt. De route naar Zweden wordt al snel door Duitse maatregelen voor niet-zeevarenden geblokkeerd. Hoewel de weg naar Engeland, via Spanje en Portugal lang en vol gevaren is - neem alleen al de vele landsgrenzen die clandestien gepasseerd moeten worden - vinden de meeste vluchtpogingen via deze route plaats. Katwijk is een populair vertrekplek voor Engelandvaarders. Dat komt ondermeer door het tunneltje onder het zeehospitium, dat rechtstreeks op het strand uitkomt. Maar ook de zeesluis biedt mogelijkheden om onopgemerkt het ruime sop te kiezen, met name als de meewerkende sluiswachter de Duitse grenswachten dronken voert. De meeste pogingen om de overkant te bereiken worden in kleine bootjes ondernomen, zoals sloepen en kano’s. Grotere vaartuigen blijken te risicovol omdat ze te snel door de intensief patrouillerende Duitsers worden ontdekt. Maar ondanks deze en vele andere gevaren, zoals mijnenvelden (op het strand en in zee), de onstuimige branding, desoriëntatie, slechte weersomstandigheden, is het een aantal gelukt om de Engelse kust te bereiken.

Mislukt
“Katwijk in de nacht van 18 op 19 april 1941: Verzetskameraad Pim van Doorn en ik besluiten het erop te wagen. Het weer lijkt goed genoeg voor de overtocht. We bereiken de zee met onze opvouwbare kano via het tunneltje onder het Zeehospitium. Onopgemerkt door de intensief patrouillerende Duitse kustwacht peddelen we door de branding naar dan nog rustig vaarwater. Maar als er een harde wind opsteekt maakt onze kano door de steeds hoger wordende golven snel water. We zijn met ons vaartuigje niet opgewassen tegen het natuurgeweld en dreigen door de golven te worden verzwolgen als boven ons opeens de boeg van een schip uittorent. Het is de KW32, de Katwijkse vissersboot Sakina. De bemanning haalt ons aan boord en zet ons achter de Duitse wachtposten bij IJmuiden weer aan land. Aan de moed en daadkracht van de bemanning hebben we ons leven te danken. Op 30 november probeer ik het via een andere weg: te voet en per trein via België, Frankrijk en Spanje. Ik reis samen met Freek Kragt. We bereiken Vichy Frankrijk, waar we in de trein bij Lyon door Franse autoriteiten worden gearresteerd. In de Kerstnacht ontsnap ik met vijf Nederlandse studenten uit het fort Chapoly. We keren terug naar Nederland , aangezien doorreizen naar Spanje in de gegeven omstandigheden en bij gebrek aan geld is uitgesloten”.

Vervolgingen                                                                                                                                            
Al snel na de capitulatie, op 14 mei 1940, vervolgt en straft de bezetter iedere vorm van protest of verzet af. Dat begint op 12 maart met het fusilleren van achttien gevangenen voor relatief lichte vergrijpen. Dat veroorzaakt een grote schok, maar het zorgt er ook voor dat meer Nederlanders in verzet komen. Naast  gewone burgers worden duizenden verzetsstrijders na verraad of onachtzaamheid gearresteerd – op straat, op hun werk of van hun bed gelicht – en verdwijnen na vaak gruwelijke verhoren in gevangenissen en kampen. Van sommigen wordt nooit meer iets vernomen, van ruim 3000 is bekend dat zij zijn gefusilleerd of anderszins terechtgesteld.

Een wonder
“Op 8 april 1942 wordt ik om 00:30 uur door gebonk op de deur van mijn kamer in Amsterdam, ruw uit mijn slaap gewekt. Twee Gestapoagenten arresteren mij en nemen mij mee naar de gevangenis in Scheveningen. Hier, in het Oranjehotel, volgt een zware tijd van ondervragingen en intimidaties door mijn bewakers. Mijn reis naar Frankrijk blijkt te zijn verraden door een Nederlander. Na drie maanden Scheveningen word ik overgebracht naar het concentratiekamp Amersfoort. Daar vindt een bijzondere ontmoeting plaats. Eén van de bevelvoerende officieren herkent mij als deelnemer, met het Poolse Springruiterteam, aan de Olympische Spelen in 1936 in Berlijn. Het wonder voltrekt zich: Hij roept mij bij zich, loopt met mij naar de poort, duwt me wat leeftocht in de handen en zegt: ‘maak dat je wegkomt en laat je nooit meer zien in de buurt van de westkust.’ Daar ging ik, weg uit het kamp waarvan in verzetskringen bekend was, dat geen Pool daar ooit levend uit was gekomen.”

Het Duitse front zakt in
Inmiddels begint voor de Duitsers op het Europese strijdtoneel het tij te keren. Op 4 november 1942 trekt Rommel zich terug uit Noord Afrika na de desastreus verlopen slag in de woestijn bij El Alamein. Een dikke maand later landen Brits-Amerikaanse troepen in Noord Afrika en op 31 januari 1943 geeft maarschalk von Paulus zijn hopeloze strijd rond Stalingrad op als Russische soldaten zijn commandobunker binnendringen. Op 28 november 1943 komen Roosevelt, Churchill en Stalin in Teheran bijeen. Zij besluiten tot operatie Overlord, een geallieerde invasie op de Franse kust in mei 1944, die uiteindelijk op 6 juni van dat jaar wordt uitgevoerd. Van Duitsland (en Japan) zal uitsluitend de onvoorwaardelijke capitulatie worden geaccepteerd.

Onderbelicht
Veel te lang is de rol van de Poolse generaals Maczek en Sosabowski en hun manschappen bij de strijd tegen Duitsland en met name bij de bevrijding van Europa in 1944-45 onderbelicht gebleven. Als Polen op 1 september 1939 door Nazi Duitsland wordt aangevallen en op 17 september door de Russen, houden de Poolse troepen zo’n week of 5 heldhaftig stand. Het verslagen Poolse leger valt uiteen en vlucht via allerlei wegen naar het nog vrije Europa.  

Stanislaw Maczek
Tijdens de Duitse inval in Polen weet de 10e Pantsercavaleriebrigade onder bevel van de Kolonel Maczek de vijandelijke opmars nog enigszins te vertragen, ondermeer door het Duitse XVIII Korps enkele gevoelige slagen toe te brengen – zoals de vernietiging van 50 pantservoertuigen tijdens één veldslag. Na enkele succesvolle achterhoedegevechten laten Maczek en zijn divisie (nadat de tanks onklaar zijn gemaakt) zich interneren in Hongarije. Zoals vrijwel alle geïnterneerde Poolse soldaten vertrekken ook Maczek en zijn mannen naar Frankrijk om daar onder de paraplu van de naar Londen uitgeweken Poolse regering in ballingschap, met Frans materieel, een nieuwe tankbrigade op te richten. Ook hiermee boekt Maczek op 16 en 17 juni 1940 belangrijke overwinningen in de buurt van Montbard en het kanaal van Bourgogne. Na de val van Frankrijk weet hij zich weer met succes terug te trekken, zijn tanks onklaar te maken en met een deel van zijn brigade naar Engeland te ontkomen. Daar wordt opnieuw – nu met Brits en Amerikaans materieel – een Pools leger opgebouwd en wordt de 10e Pantsercavaleriebrigade uitgebreid tot de Eerste Poolse Pantserdivisie. Hiermee landt Maczek op 1 augustus 1944 in Normandië, waar de divisie al na een week wordt ingezet en zijn pantserbrigade bij de zeer bloedige en cruciale veldslag: ‘De Zak van Falaise’, een belangrijke inbreng heeft. De Amerikaanse geallieerde opperbevelhebber Eisenhouwer die na de slag  zelf het resultaat in ogenschouw neemt zal later schrijven dat hij nog nooit verwoesting zag. Later zal Maczek’s divisie, als onderdeel van het Canadese Eerste Leger, onder leiding van Generaal Crerar, via België (St. Niklaas en Gent) en Nederland (Baarle Nassau, Breda, Moerdijk en Axel) doorstoten tot in Duitsland. Niet alleen in militaire kringen gooit Maczek hoge ogen als pantserdivisiecommandant; ook de burgerij stelt zijn strijdwijze om de schade aan dorpen en steden tot een minimum te beperken zeer op prijs. Zo blijft, naast het na de eerste werelddoorlog weer helemaal opgebouwde Belgische Ieper, Gent ook Breda veel schade bespaard als de Polen alleen met het geweer de stad op 29 oktober 1944 bevrijden. Voor Maczek eindigt de oorlog op 6 mei 1945, wanneer hij na de inname van Wilhemshaven de capitulatie in ontvangst neemt van een groot deel van de Kriegsmarine en 10 Duitse infanteriedivisies.

Stanislaw Sosabowski
De latere brigade generaal Sosabowski vecht met zijn infanterieregiment bij Warschau tegen de Duitse troepen die Polen binnenvallen maar wordt verslagen en gevangen genomen. Nadat hij in oktober 1939 uit Duitse krijgsgevangenschap weet te ontvluchten, verlaat hij in november van dat jaar Warschau, dat hij nooit meer zal terugzien. Zijn vluchtweg naar Frankrijk, om zich daar bij het nieuw te vormen Poolse leger te voegen, leidt via Boedapest en Venetië. In Parijs krijgt hij van de Poolse regering in Ballingschap een belangrijke rol in het nieuwe Poolse leger bij de verdediging van Frankrijk. Nadat de Nazi’s Frankrijk hebben verslagen in 1940, ontkomt ook Sosabowski met duizenden Poolse soldaten naar Engeland. Daar wordt het Poolse 1ste Legerkorps geformeerd, waaruit ondermeer de 1ste Poolse Pantserdivisie voortkomt en de 1ste Poolse Onafhankelijke Parachutistenbrigade, die onder commando van Sosabovski, wordt opgeleid om op Pools grondgebied te strijden. Hun ultieme doel, ‘de bevrijding van Polen langs de kortste weg (Najkrótsza Droga)’ staat de manschappen op het netvlies geëtst. Op 1 augustus 1944 begint de opstand van Warschau. De parachutistenbrigade verwacht spoedig in Polen te worden gedropt. Die hoop is vergeefs, want het Britse opperbevel acht het overvliegen van de Sosabowski brigade naar Warschau te riskant. De brigade zal uiteindelijk in september 1944 worden ingezet bij de Britse operatie Market Garden, onder leiding van de Veldmaarschalk Sir Bernard Montgtomery.
Op 19 september 1944 landt door mist en andere slechte weersomstandigheden een deel van de Poolse parachutisten met zware wapens in Horsa zweefvliegtuigen bij Wolfheeze, 2 dagen en later dan bedoeling.  De overige Polen zullen de volgende dag springen. Dat wordt echter vanwege het dan slechte weer in Engeland uitgesteld tot 21 september. Uiteindelijk landt de rest van Poolse para’s bij het Betuwse plaatsje Driel , ten zuidwesten van de Rijnbrug. Zij krijgen de opdracht om de zwaargehavende Britse 1e Luchtlandingsdivisie uit hun omsingeling bij Oosterbeek te ontzetten. Het oorspronkelijke doel, de brug vanuit het zuiden te heroveren, is door het Britse opperbevel inmiddels al overboord gezet, ondanks de bereidheid van Sosabowski om dit alsnog te doen door met zijn brigade op de brug te landen. Hoewel Montgomery de operatie toch voor 90% geslaagd acht, eindigt Market Garden in een groot verlies voor de geallieerden en slaagt het Britse 30ste Legerkorps er niet in om zoals bedoeld via Nijmegen naar Arnhem op te rukken. De relatie tussen Montgomery en Sosabovski zal nooit een goede geworden. Vanaf de planningsfase worden ze het – op z’n zachtst gezegd – niet eens over de opzet en uitvoering van operatie Market Garden, waaraan uiteindelijk 1700 Poolse parachutisten hebben meegedaan en waarvan er zo’n 400 zijn gesneuveld. Sosabovski is, mede door zijn gebrekkige Engels en niet altijd even diplomatieke benadering van zaken, de ideale zondebok voor de Britse generaals die hun falen op de dappere Poolse parachutisten proberen af te wentelen. Ook later volharden de Britten er in om de mislukking  van Market Garden aan het ‘niet willen vechten’ van de Polen toe te schrijven. De intrige gaat zo ver, dat Stanisław Sosabowski op aangeven van generaal Frederick Browning door de Poolse President Raczkiewicz van zijn commando wordt ontheven.

Bevrijd …
“Na mijn vertrek op 14 augustus 1942 uit kamp Amersfoort ga ik naar Deurne, waar ik drie maanden bij een boer werk om het fysiek en mentaal weer een op een rijtje te krijgen. Daarna ga ik bij Philips in Venlo werken, met het doel om mijn werkzaamheden voor dit bedrijf na de oorlog in Polen voort te zetten. Op 23 december 1942 trouw ik met Mary van der Straaten (die ook uit Den Haag weg moest en naar Deurne is gekomen). We wonen in een kleine boerderij. Naast mijn gewone baan,  werk ik voor een organisatie die zich bezighoudt met het laten onderduiken en verder helpen van geallieerde piloten. Zo verleen ik enkele maanden onderdak aan een Poolse jachtvlieger (Erazm Nardzinski, registratienummer 1581) die bij Son een noodlanding heeft gemaakt. Nadat op 24 september 1944 Deurne wordt bevrijd door de Elfde Engelse Pantserdivisie (en op die dag ook ons huis door een voltreffer in de as wordt gelegd), vertrekken mijn hoogzwangere Mary en ik - met medewerking van de Engelse autoriteiten - naar het vorige jaar bevrijdde en dus veilige Brussel. Daar wordt op 6 oktober 1944 mijn zoon Jerzy geboren. Van dichtbij maak ik mee hoe België en Zuid Nederland, ondermeer door mijn landgenoten van de 1ste Poolse Pantser Divisie, worden bevrijd. Maar Polen is nog steeds in oorlog! Daarom besluit ik om mij in Brussel te melden bij de Poolse Militaire Missie. Met hun aanbevelingen komt ik eerst in Lille en vervolgens alsnog in Schotland, bij de ‘First Polish Division’ terecht. Na de Duitse capitulatie dien ik - inmiddels bevorderd tot Ritmeester - in dat land als verbindingsofficier bij het Britse 30th Corps van de 21th Army Group in Hameln. Na de demobilisatie in 1947 keer ik terug naar Den Haag. Niet naar Polen, want daar heerst inmiddels het communisme, dat mij en mijn medevrijheidsstrijders uitermate vijandig gezind is. Gelukkig vinden Mary en ik onderdak bij haar ouders en kan ik aan het werk in het bedrijf van mijn schoonvader.”

In de jaren 50 is Tolo Makowski, de Poolse Lansier, actief voor de Poolse gemeenschap in Nederland. Zo is hij enkele jaren voorzitter van de Bond van Poolse Oud-strijders in Nederland en had hij goede contacten met de Poolse Katholieke Vereniging in Nederland.    In dat kader trakteert hij geregeld jonge Poolse priesters, die op stage komen, op een goede Hollandse borrel.  Eén van hen is Karol Józef Wojtyła, die we later leren kennen als Paus Johannes Paulus II.

Erkenning en eerherstel
In zijn strijd om eerherstel heeft Generaal Sosabowski herhaalde malen verzocht om een onderzoek naar de Britse beschuldigingen. Dat is er nooit gekomen, waardoor de generaal tijdens zijn leven - voor hem en zijn manschappen - vanuit de militair - politieke hoek, ook de Nederlandse -  nooit de verdiende erkenning voor zijn inzet in Arnhem kreeg. Zoals inmiddels bekend heeft, veel te laat en na veel getouwtrek, Hare Majesteit Koningin Beatrix op 31 mei 2006 de hoogste Nederlandse onderscheiding, de Militaire Willemsorde, alsnog aan de Poolse parachutistenbrigade toegekend en de Generaal Sosabowski postuum geëerd met de Bronzen Leeuw.
Generaal Maczek ondervindt nog wel de nodige erkenning voor zijn heldendaden. Zo wordt hij in 1949 Groot Officier in de Orde van de Nederlandse Leeuw. In eigen land wordt de dan 98-jarige veteraan op 1 November 1990 benoemd tot Luitenant Generaal in het Poolse leger. Ook ontvangt hij de Orde van de Witte Adelaar, de hoogste Poolse onderscheiding, het verjaarscadeau van de Poolse regering voor zijn honderdste verjaardag.
Tolo Makowski heeft het lot en de miskenning van zijn dappere landgenoten lang met lede ogen aangezien. Een bescheiden pleister op deze wond is zijn aanwezigheid bij de onthulling op 16 september 1961 in Driel van het Polen Monument ter herdenking van de heldendaden van Sosabowski en zijn luchtlandingsbrigade.
Zijn persoonlijke erkenning komt in 1950. Na een hele serieuze procedure en dankzij goede referenties uit de bezettingsperiode verwerft Tolo het Nederlanderschap. Dat wordt later nog eens onderstreept met het toekennen van het Nederlands verzetspensioen en tenslotte bekroond met het ontvangen van het ‘Verzetsherdenkingskuis’ op 14 december 1981.

Witold Artur Wladyslaw (Tolo) Saryusz Makowski overlijdt in 1995 op 83 jarige leeftijd.

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu